Hoewel hij zijn
leven en werken naderhand heeft overwoekerd door mystificaties,
staat vast dat Wim van den Hout in Den Bosch werd geboren als
zoon van een Groningse moeder en een Brabantse vader. Soms was
het hem te moede, zei hij later, alsof hij een 'halfbloed' was.
Boven de grote rivieren bleek hij zich meer thuis te voelen dan
daaronder. Maar een moeilijke jeugd heeft hij naar eigen zeggen
niet gehad. Wel hield hij aan zijn afkomst naar alle waarschijnlijkheid
een gespleten karakter over, die op zijn hele verdere leven een
bepalende invloed zou hebben.
Na middelbare school en militaire dienst belandde Van den Hout
op 22-jarige leeftijd op de persdienst van Philips' Gloeilampenfabrieken
te Eindhoven. Een jaar later, in 1938, werd hij overgeplaatst
naar de buitenlandse reclameafdeling van het bedrijf. Deze werkkring
bracht een dienstreis naar de Verenigde Staten met zich, waar
hij onder meer een bezoek bracht aan Hollywood. Dat leverde hem
de inspiratie op voor zijn kluchtige roman Amerika filmt. Een
visie op Hollywood en op Hollywood's wonderlijke werkwijzen ,
het spottende relaas van een filmploeg uit Hollywood die opnamen
maakt op een eiland in de Stille Zuidzee. Ook in zijn latere werk
zou deze regio vaak opduiken, hoewel Van den Hout er nooit van
zijn leven was geweest. Dat hoefde ook niet, zei hij: 'Als je
van nature een beetje fantasie hebt, en je leest veel, en je ziet
een kleurenfilm over de Bahama's, dan hoef ik niet meer naar de
Bahama's om nog wat couleur locale op te doen. Dat is lariekoek.
Ik blijf gewoon thuis en schrijf dat boek' (De Jong).
Aangezien zijn werkgever niet wilde dat Philips op zulke frivole
nevenactiviteiten zou worden aangekeken, publiceerde hij het boek
onder het pseudoniem Willy Waterman. Het verscheen in 1939, toen
hij zelf wegens de mobilisatie weer onder de wapenen was. Ook
deze ervaringen verwerkte hij, als naam Willem W. Waterman aannemend,
tot een roman die in 1941 uitkwam met als titel De kruistocht
van generaal Taillehaeck . Het leek wederom een burleske roman,
maar ditmaal was de ondertoon uiterst serieus: de lotgevallen
van het Nederlandse leger tijdens de mobilisatie toonden volgens
de schrijver op schrijnende wijze aan dat de gemiddelde Nederlander
veel te individualistisch en veel te weinig soldatesk was ingesteld.
Dat was, betoogde hij, mede de schuld van het vooroorlogse gezag:
'Men tráchtte zelfs niet hun geestesgesteldheid te veranderen
en hen militair te laten denken, omdat men ons leger beschouwde
als een ergerlijke noodzaak en omdat men geen notie had, hoe de
geest in een werkelijk leger behoorde te zijn' (pp. 280-281).
Een vervolg op De kruistocht verscheen in 1943 onder de titel
Een strijd om Nederland . Hij gaf daarin blijk van zijn ijzervretersovertuiging
dat alleen een sterk volk de woelingen van de tijd zou overleven.
Om ook metterdaad partij te kiezen zocht Van den Hout aansluiting
bij het fascistische Nationaal Front van Arnold Meijer, die hem
in januari 1941 benoemde tot propagandaleider. In augustus van
dat jaar vertrok hij weer. Op eigen initiatief, zei hij na de
oorlog, maar in zijn tot roman verwerkte terugblik Bankroet van
een politieke beweging , in 1943 onder eigen naam gepubliceerd,
wordt de propagandaleider van het imaginaire Nederlandsch Front
op staande voet ontslagen, omdat hij de stafleden met slappe vaatdoeken
heeft vergeleken.
Als freelance-publicist onder de naam Willem W. Waterman werkte
Van den Hout onder meer voor het Haagse dagblad De Residentiebode
, dat aanvankelijk met Arnold Meijer sympathiseerde en later met
de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB). Daarnaast begon hij
in 1943 onder het pseudoniem Willy van der Heide in het nationaal-socialistische
blad Jeugd het avontuurlijke feuilleton 'De avonturen van 3 jongens
in de Stille Zuidzee'. Van den Hout had een non-conformistische
geest, die hem in augustus 1943 bijvoorbeeld in staat stelde als
radiomedewerker Willem W. Waterman in het amusementsweekblad Cinema
en Theater aandacht te vestigen op de aanstaande uitzending van
een hoorspel van 'de jonge auteur Willy van der Heide'. Het betrof
hier een bewerking van het verhaal in Jeugd , waarin de Amsterdamse
rederszoon 'Rob Evers' de centrale held was. Twee weken later
kwam hij er in hetzelfde blad zelfs nog op terug; toen bekritiseerde
hij de manier waarop dit hoorspel was uitgevoerd, en voegde er
bewonderend aan toe dat de Britse omroep, de BBC, dat vóór
de oorlog heel wat beter deed: een ongekende brutaliteit. Ook
bleef hij onverstoorbaar over de Ramblers schrijven nadat het
dansorkest van Theo Uden Masman die Engelstalige naam allang niet
meer mocht voeren.
Allengs verruilde Van den Hout zijn gezinsleven voor een bohémienachtig
bestaan,waarover hij in zijn naoorlogse memoires, Toen ik een
nieuw leven ging beginnen en andere waargebeurde verhalen uit
de jaren vijftig (1979), veel avontuurlijke, maar volstrekt oncontroleerbare
verhalen vertelde. Zo zou hij geregeld hebben verkeerd in het
milieu van agenten en dubbelagenten. Zijn opvallendste rol speelde
hij echter bij het vanaf maart 1944 verschijnende periodiek De
Gil , in werkelijkheid een uitgave van de Hauptabteilung für
Volksaufklärung und Propaganda, maar ogenschijnlijk een blad
dat onbekommerd de spot dreef met Duitsers, NSB'ers en de Nederlandse
regering in Londen. Het was opgezet door L. Thijssen, oud-hoofdredacteur
van De Residentiebode , en verscheen in een oplage van meer dan
100.000 exemplaren.
Vanaf het derde nummer werd dit 'opnuchterend orgaan voor onnuchter
Nederland' - zoals de ondertitel luidde - goeddeels volgeschreven
door Willem W. Waterman, die met een Angelsaksisch soort ironie
bij de lezer twijfel probeerde te zaaien over de wenselijkheid
van een geallieerde invasie. Over geallieerde overwinningen aan
de oorlogsfronten schreef hij even relativerend als over de leuzen
van de NSB, die immers ook in Duitse ogen tamelijk lachwekkend
waren. Zijn grappenmakerij was geïnspireerd op de toonzetting
van het Amerikaanse blad Esquire , waarvan Van den Hout een vooroorlogse
verzameling bezat. Door ruimschoots aandacht te besteden aan verboden
onderwerpen, zoals de Amerikaanse jazz en de Nederlandse zender
in Londen, maakte hij De Gil tot een blad dat sterk afweek van
de reguliere, humorloze propaganda; en dat was precies de bedoeling.
De verwarring die onder het publiek ontstond over de herkomst
van het blad, werd des te groter door het nummer dat na 5 september
1944 verscheen, toen de Duitse nederlaag leek vast te staan en
drommen NSB'ers een veilig heenkomen naar Duitsland zochten. Willem
W. Waterman gaf die dag de allitererende bijnaam 'Dolle Dinsdag',
en haalde honend uit naar de 'labbekakken' die op de vlucht waren
geslagen.
In oktober 1944 werd De Gil opgeheven. Van den Hout verzorgde
daarna tot in het vroege voorjaar van 1945, volgens hetzelfde
procédé, het op een geheim gehouden locatie gevestigde
radiostation De Gil-Club , dat zich, met medeweten van de bezettingsautoriteiten,
voordeed als een illegale zender. In deze programma's draaide
hij jazzplaten en trachtte hij interne wrijvingen in het geallieerde
kamp aan te scherpen door bijvoorbeeld een Amerikaanse overwinning
toe te schrijven aan de Britten, en omgekeerd. Ook leverde hij
lacherig commentaar op alles wat in het reeds bevrijde zuiden
nog niet helemaal naar wens verliep.
Na de oorlog werd Van den Hout, als 'dubbelzinnige figuur', door
de Raad van Beroep voor de Perszuivering een journalistiek publicatieverbod
van tien jaar opgelegd. Tot een proces wegens collaboratie is
het echter niet gekomen; hij zat drie jaar in voorarrest, en daarna
werd zijn zaak geseponeerd. Maar in de cel vond hij alweer nieuw
emplooi voor zijn pen; hij begon te schrijven aan een reeks jongensboeken
die voortborduurde op het feuilleton in Jeugd . Zo kon hij op
19 mei 1949 een contract sluiten met de Meppelse uitgeverij M.
Stenvert & Zoon voor de publicatie van zijn 'Bob Evers'-boeken,
geschreven onder de naam Willy van der Heide. Het eerste deeltje,
onder de titel Een overval in de lucht , volgde in 1950. In totaal
verschenen er 32 delen, meestal onder allitererende titels als
Cnall-effecten in Casablanca , Hoog spel in Hong Kong en Trammelant
op Trinidad . Door zijn rijkelijk met hyperbolen doorspekte schrijfstijl
en de vet aangezette slapstickeffecten was de serie zeer populair
bij het jonge lezerspubliek. Volgens een ruwe schatting werden
van de 'Bob Evers'-serie vijf miljoen exemplaren verkocht. Ook
schreef hij enkele meisjesboeken onder het pseudoniem Sylvia Sillevis.
Maar in de ogen van de jeugdboekdeskundigen heeft Van den Hout
nooit veel goeds kunnen doen. 'Van het begin af aan werd er over
deze serie ernstig gefronst; er wordt nóg steeds over gefronst,
omdat ze niet cultureel of opbouwend zou zijn,' zei hij in 1974.
'En ik had altijd het argeloze idee - en dat heb ik nog - dat
dat kinderen geen ene moer interesseert. Die willen gewoon eerlijke
boeken lezen waar wat in te beleven valt. Er zijn genoeg mensen
die op de morele zeurtoer gaan; dat laat ik graag aan anderen
over' (Beringen, 26).
Als hij niet schreef - in hoog tempo rammend op zijn oude schrijfmachine
- leidde Van den Hout een rommelig leven met een hoog alcoholverbruik
en diverse liefdesaffaires. Martin van Amerongen omschreef hem
als 'een stuk burengerucht op alcoholbasis' (Vrij Nederland ,
3-3-1979). Geerten Meijsing noemde hem, in 1993 in een toespraak
voor het Bob Evers Genootschap, 'een kleurrijker persoonlijkheid
dan wij in onze stoutste dromen hadden kunnen vermoeden, veel
wilder dan de boeken, turbulenter dan alle boeven- en jongenskarakters
van die reeks tezamen, met behoud van de krankzinnige charme en
aantrekkelijkheid van beide categorieën' (Dijksman).
Na een tweede echtscheiding en een derde huwelijk verkocht Van
den Hout de 'Bob Evers'-rechten in 1967 voor een eenmalig bedrag
van ruim 100.000 gulden aan uitgever Stenvert. Toen later bleek
dat de opbrengsten vele malen hoger waren, trachtte hij vergeefs
die overeenkomst ongedaan te maken. Eind jaren zeventig publiceerde
hij nog twee deeltjes - 34 en 35 - bij een andere uitgever. Het
tussentijds geschreven deel 33 bleef onvoltooid.
Voortdurende geldnood dreef Van den Hout ook in de armen van
de makers van het seksblad Candy , voor wie hij onder de naam
Joke Raviera pornoverhalen schreef. 'Hij was een onvolwassen padvinder,'
zei zijn zoon Paul uit zijn eerste huwelijk, 'in die zin heeft-ie
nooit iets geleerd, ook niet van die oorlog. Hij voelde zich alleen
maar verschrikkelijk gegriefd door de afrekening en dat heeft
zeker bijgedragen aan zijn paranoïde gedrag. Niks kon normaal,
alles was avontuur' (Dijksman).
Tot zijn dood heeft Van den Hout volgehouden dat hij tijdens
de oorlog een uitgekiend spel had gespeeld en dat hij na de bevrijding
het slachtoffer was geworden van complotten om hem als publicist
monddood te maken, omdat hij te veel zou hebben geweten over de
oorlogsgedragingen van vooraanstaande Nederlanders. Enig bewijs
voor die claim heeft hij echter nooit kunnen leveren. Wel is hij
zijn leven lang een ongrijpbare man geweest, die zich op onverstoorbare
wijze vergaande brutaliteiten heeft gepermitteerd. Zo blijft hij
voor de één de maker van De Gil , het merkwaardigste
blad dat tijdens de bezetting is verschenen, en voor de ander
de geestelijk vader van een lange serie jongensboeken, die wegens
het onophoudelijke succes na zijn dood zelfs nog door een andere
auteur - Peter de Zwaan - is voortgezet.
|